Joanna Beem, Auteur

Thuis in Westerwolde

ARCHIEF  

  

 

Columns

2015-07-25 OVER DE DOOD  Het boek ‘Waar ligt Poot?’ van uitgeverij de Prom uit 1997 is geen boek dat veel mensen in de vakantiekoffer zullen stoppen. Ook ik sta er niet altijd bij stil om deze reisgids mee te nemen als ik op stap ga. Maar als naslagwerk is het onbetaalbaar. Hans Heesen, Harry Jansen en Ed Schilder hebben hun uiterste best gedaan om de laatste rustplaats van Nederlandse en Vlaamse schrijvers terug te vinden en daarnaast informatie te verstrekken over hun dood.

Zo kwam ik te weten dat ik niet naar het graf van Arnold Johannesz. Hoogvliet (Vlaardingen, 03-07-1687 – 17-101763) hoef te zoeken op de oude begraafplaats in mijn geboortestad. De schrijver van de bestseller ‘Abraham de Aartsvader’, een dichtwerk in twaalf delen, werd begraven in de Grote Kerk aan de Markt te Vlaardingen ‘onder geleiden der gehele stadsregeering en van het aanzienlijkst gedeelte der ingezetenen’. Het graf is helaas verdwenen maar zijn werk kwam ik, tot mijn groot genoegen, tegen in de bibliotheek van het Museum Collectie Brands in Nieuw Dordrecht waar ik sinds een jaartje als vrijwilliger een aantal uurtjes in de week te vinden ben.

Mocht er driehonderd jaar na mijn geboorte weer zo’n gids verschijnen, dan verwacht ik niet dat mijn naam er in te vinden zal zijn. De boeken die ik tot nu toe geschreven heb vallen niet in de categorie bestseller en gedichten heb ik nog niet gepubliceerd. Wel geschreven. Ze staan in een boekje dat hopelijk gevonden en gekoesterd zal worden door mijn nabestaanden als de tijd daar is. Ik zal dan waarschijnlijk rusten in een graf waar ook mijn lief begraven is, kop aan kop met mijn ouders. Dat is een speling van het lot en het gevolg van het feit dat mijn lief een half jaar na mijn vader overleed. Beiden hadden niet te klagen over belangstelling bij hun teraardebestelling. Ik verwacht niet dat de halve stad zal uitlopen als mijn moeder en ik dit leven achter ons laten. Maar, wat is zekerheid?

Iets dergelijks vroeg ik mij af toe ik onderstaand gedicht schreef en voordroeg in de aula toen wij afscheid namen van mijn vader, nu vijftien jaar geleden. Mijn vader was een nieuwsgierig mens. Altijd op zoek naar ‘het waarom’. Een antwoord op de vraag naar het waarom van het leven, lijden en sterven bleef echter ook voor hem onvindbaar. Misschien, bedacht ik, zou mijn vader getroost zijn door de woorden van Euripides die ooit verzuchtte: ‘Wie weet of leven niet een soort sterven is, of sterven in dit ondermaanse niet als leven geldt? Wie weet of dit gebeuren dat wij sterven noemen, niet werkelijk leven is en of leven niet werkelijk sterven is?’ Geïnspireerd door deze woorden gaf ik mijn vader het volgende mee:

Als je, in dat andere leven, nu de kans eens kreeg

met je vader wat te kouten over leven, liefde en de pijn,

zou je dan een maatje hebben, samenzweren bij een goed glas wijn?

 

Als je, in dat andere leven, nu de kans eens kreeg

met je vader te gaan stappen, zo echt ‘ouwe jongens krentenbrood’,

zouden jullie dronken worden, doorgaan tot aan ’t morgenrood?

 

Als je, in dat andere leven, nu de kans eens kreeg

met je vader wat te slent’ren, lekker samen langs het strand,

zou je dan naar mooie meiden fluiten, die liggen te zonnen in het zand?

  

Als je, in dat andere leven, nu al die kansen nog eens kreeg,

dan geef ik jou, mijn lieve vader, graag mijn zegen en een hele dikke zoen.

bedankt voor alles, zou ik zeggen. Ga maar en ga het vooral doen!


Deze regels staan nog niet in mijn boekje met gedichten. Maar ik ga ze er zeker nog bijschrijven.



2015-11-15 ALLEEN OP DE WERELD Deze druilerige zondagmiddag roept herinneringen op aan vroeger. Aan zondagmiddagen thuis: ik zit op mijn kamer en wacht. Waarop? Geen flauw idee. Misschien tot het donker wordt. Tot het weer een beetje gezellig wordt of tot iemand beseft dat ik er ook nog ben…

Het moet in die tijd geweest zijn dat ik in het boek van Hector Malot probeerde iets verder te lezen dan tot bladzijde tien. Steeds weer kwamen de tranen, steeds weer veegde ik ze weg. Ik wilde wel verder lezen maar het ging gewoon niet. En dan zette ik het boek maar weer op de plank. Misschien zou ik ooit, als ik groot was, te weten komen hoe het met Remi ging nadat hij verkocht was aan Vitalis. Alleen op de wereld...

Inmiddels heb ik geleerd dat alleen zijn iets anders is dan eenzaam zijn en dat eenzaamheid een gevoel is dat ook aanwezig kan zijn in een gezin, in een groep, in een relatie. Inmiddels heb ik ook geleerd dat alleen zijn niet perse verdrietig of naar hoeft te zijn. Maar vandaag overheerst wel dat verdriet dat ik me zo goed herinner van vroeger. Het verdriet omdat geluk zo broos blijkt te zijn. Zo van het ene moment op het andere kan veranderen in narigheid, ellende, oorlog… Vandaag is het de zondag na de vrijdag dat in Parijs onschuldige burgers werden vermoord. In Parijs… de lichtstad! Ja, ik weet dat er iedere dag onschuldige burgers vermoord worden op deze aarde. En het is al jaren geleden dat ik daar echt om gehuild heb. Maar nu… Ik voel me weer dat kind dat zich afvroeg waarom volwassen mensen zoveel ruzie met elkaar maakten. Waarom het niet gezellig en vredig kon zijn en blijven… En ik ben bang. Bang voor wat er allemaal nog gaat komen. Bang voor de toekomst. Bang dat niemand meer in staat zal zijn om het kwaad te keren. En ik huil omdat de liefde heel langzaam uit deze wereld lijkt te verdwijnen…

 

2014-04-18 KROONENBERG ONTKROOND Ze stond zó hoog aangeschreven: Yvonne Kroonenberg, de schrijfster van o.a. ALLES WENT BEHALVE EEN VENT. Regelmatig daag ik mensen uit om deze titel te citeren als ik weer eens aan het relativeren sla en het gebeurt maar zelden dat de uitgedaagde niet met de juiste quote op de proppen komt. Nou daag ik meestal vrouwen uit: vrouwen die de kassa bemannen bij de supermarkt of mijn spulletjes inpakken bij de Action. Dat gaat niet bewust maar blijkbaar verlopen gesprekjes met mannen toch anders. Trouwens, die kom ik zelden tegen achter de kassa bij de supermarkt. Feit is dat Kroonenberg een heel eigen kijk op met name de mannelijke helft van de mensheid heeft en daar als schrijfster haar bekendheid ook voor een groot deel aan te danken heeft.

Het interview in HP/De Tijd, waarin ze zich nogal neerbuigend uitgelaten schijnt te hebben over mensen die ze in het winkelcentrum van Assen zag, had ik niet  gelezen. Maar bij het ontbijt vanmorgen werd ik getrakteerd op een stukje hierover op de voorpagina van het Dagblad van het Noorden met vervolgens nog een halve bladzijde over de pagina’s twee en drie. Inmiddels begrijp ik dat er volop getwitterd wordt over deze zaak en misschien zijn er al mensen die oproepen om aangifte te doen tegen Yvonne wegens belediging van een bevolkingsgroep. Yvonne wordt neergezet als een arrogante kakmadam die vanuit haar ivoren toren neerkijkt op het simpele volk. Maar waar het hier eigenlijk om gaat is dat Yvonne een Randstedelijke kakmadam is die de indruk wekt dat ze neerkijkt op schijnbaar simpele lieden uit het noordoostelijk deel van ons land. En of er nou wel of niet een grond van waarheid in haar waarnemingen zit dat doet er blijkbaar niet toe: ze heeft een heel gevoelige snaar geraakt.

Vandaag de dag hebben mijns inziens wel heel veel mensen erg lange tenen. Het gevoel dat ze op achterstand staan ten opzichte van mensen die in de Randstad geboren en opgegroeid zijn is zó sterk aanwezig! Ik vind dat vreemd want als ik me goed herinner werden Randstedelijke schoffies juist naar het platteland (Veenhuizen???) gestuurd om te worden opgevoed. Geboren in de Randstad was ik als kind al jaloers op mensen die op het platteland woonden en ik wilde niets liever dan ooit trouwen met de jongen die ik tijdens een vakantie met mijn ouders had leren kennen: zijn vader had een boerderij. Blijkbaar begreep ik toen al dat ik zonder de inspanning van boeren geen eten op mijn bord zou krijgen. Maar omdat ik met een behoorlijk stel hersens werd geboren, al jong leerde lezen en gestimuleerd werd om dat ook te doen, verschilde ik nogal van mijn leeftijdgenoten. Ik behoorde tot een minderheid. Vreemd genoeg mocht ik geen slachtoffer zijn. Ik moest daar “boven” staan en blij zijn met het feit dat ik zo goed kon leren, dankbaar zijn voor het talent dat ik gekregen had… En die kinderen die mij altijd maar liepen te pesten? Die waren gewoon jaloers!

Zo werd ik dus klaargestoomd om de maatschappij in te gaan als een Randstedelijke kakmadam die, net als Yvonne Kronenberg, constateert dat er hier in mijn nieuwe woonomgeving in de provincie wel erg veel mensen heel chagrijnig lopen te kijken. Ik ga natuurlijk niet met het vingertje wijzen of dat zomaar rondtoeteren als er een microfoon onder mijn neus geduwd wordt. Nee, ik kies ervoor om die chagrijnige mensen vriendelijk toe te knikken en om grapjes met ze te maken bij de Action. Want dat moet ook gezegd worden, veel mensen beschikken hier over humor. Een apart soort humor, maar toch…  



2013-11-21 WEST ONTMOET OOST Als jong volwassene kreeg ik de kans om in zestig dagen een reis rond de wereld te maken. Onbevooroordeeld kwam ik in Bangkok aan. Van een cultuurschok was geen sprake, wel van een enorm temperatuurverschil. Ik vond de mensen er aardig en de architectuur indrukwekkend. Ik genoot van de chaos, de herrie en de vreemde geuren. Na een bezoek aan de Emerald Buddha, het winterpaleis van de koning en nog wat andere toeristische attracties kwam Thailand op het lijstje van landen die ik nog eens wilde bezoeken als ik later groot was.

Na Bangkok volgde Delhi. De aankomst midden in de nacht was angstaanjagend: aan alle kanten werd er aan me getrokken. Het stonk verschrikkelijk. Een zwerm magere, vuile kinderen deed een poging om er met mijn bagage vandoor te gaan. 'Hasjiesj, hasjiesj...' hoorde ik om me heen. Omdraaien en nooit meer terugkomen, was mijn eerste reactie. Het tevoren geboekte hotel leek op een gevangenis. Mannen in gele pakken en een geweer aan de schouder bewaakten de poort. Rondom een rechthoekige binnenplaats waren twee verdiepingen met alleen maar deuren. In de hoeken metalen trappen die me deden denken aan de brandtrappen die je wel ziet in Amerikaanse gangsterfilms. Mijn voetstappen klonken er als mokerslagen en weerkaatsten tegen de stenen muren. Ondanks de vermoeidheid deed ik die nacht geen oog dicht. Ik was doodsbang. Bij daglicht werd het er nauwelijks beter op. De verf bladderde van de muren en de badkamer was goor. Ook van het ontbijt werd ik niet vrolijk. De thee smaakte smerig en de pap heb ik na de eerste hap maar laten staan. Een groter verschil dan tussen de beleefde Thai en de, in mijn ogen, kruiperige en gluiperige Indiërs was nauwelijks denkbaar.

Per eerste gelegenheid liet ik me overboeken naar een luxer hotel waar verstaanbaar Engels gesproken werd. Daar ontmoette ik een statige Sikh die zich opwierp om mijn gids te zijn voor de dagen die ik moest zien door te komen tot het vliegtuig me naar huis zou brengen. Hij leerde me dat de mensen om baksheesh, een aalmoes, vroegen en niet om hasjiesj. Ook liet hij me de enorme armoede zien in de wijken buiten het centrum van de stad. India kwam niet op mijn lijstje van landen die ik nog eens wilde bezoeken, maar uit boeken en films over het immens grote land, over het Boedhisme, Zen, de oude culturen en de invloed van de Britten heb ik later wel een en ander bijgeleerd. Inmiddels beschouw ik India als een fascinerend land en ik ben blij dat ik er een klein stukje van heb mogen zien.

Dankzij de ontmoeting met die Sikh heb ik geleerd dat als mensen elkaar als gelijken kunnen zien, er geen sprake hoeft te zijn van een onoverkomelijke breuk tussen welke culturen op de wereld dan ook. Het zijn de vooroordelen en angsten die onze waarneming vervormen en onze manier van denken en handelen beïnvloeden.


FOTO GALERIJ